Nieuwsflash Januari 2013

Nieuwe fiscale begrotingsmaatregelen 2013

WIJZIGINGEN INZAKE ROERENDE VOORHEFFING  VANAF 1 JANUARI 2013

A. woord vooraf: herinnering van de hervorming van de roerende inkomsten ‘2012’

Om de veranderingen die vanaf 1 januari 2013 worden aangebracht EN pas met ingang van het aanslagjaar 2014 van toepassing zullen zijn, beter te begrijpen, moeten we terugblikken op de eerste hervorming van de roerende inkomsten die goedgekeurd werd in het kader van het budget 2012 en geformaliseerd werd in de wet van 28 december 2011.

Deze maatregelen blijven van toepassing op de inkomsten 2012 – aanslagjaar 2013 met echter een versoepeling voor wat de bijkomende heffing van 4% betreft (zie punt B. 3 hierna).

De programmawet van 28 december 2011 bevatte onder meer de volgende maatregelen:
• een verhoging van de roerende voorheffing van 15% naar 21% voor bepaalde intresten en dividenden

• de invoering van de bijkomende heffing van 4% op bepaalde roerende inkomsten (intresten en dividenden) indien deze het plafond van 20.020 euro (aanslagjaar 2013 – inkomstenjaar 2012) overschreden

• de verplichte aangifte van de roerende inkomsten door de schuldenaars van de roerende voorheffing. Deze dienden aan een centraal aanspreekpunt de betaalde intresten en dividenden aan te geven, met uitzondering van die waarvoor de belastingplichtige gekozen had voor een inhouding aan de bron van de bijkomende heffing van 4%

• de algemene aangifteplicht van roerende inkomsten door de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting en die in schril contrast stond met het vorige systeem van bevrijdende roerende voorheffing.

B. taxatie van de roerende inkomsten VANAF 1 JANUARI 2013

Als gevolg van de regeringsverklaring van 21.11.2012 en de daaropvolgende programmawet hebben de maatregelen van 2012 het voorwerp uitgemaakt van de volgende hervorming:

1. De roerende voorheffing wordt vereenvoudigd en geüniformiseerd door een verhoging tot 25 % voor alle roerende inkomsten, behalve volgende beperkte uitzonderingen:

• op de intresten op gereglementeerde spaarrekeningen die het vrijgestelde bedrag overschrijden, blijft 15% verschuldigd

• de tak21 (bijv. crest) en de tak23 verzekeringen die een rendementsengagement aanbieden (bijv. twinstar tomorrow – life opportunity) blijven vrijgesteld van roerende voorheffing als de looptijd van het contract meer dan 8 jaar bedraagt of als het contract in een overlijdensdekking van minstens 130% voorziet

• de inkomsten van de ‘Leterme’ staatsbons, waarop tussen 24 november en 2 december 2011 kon worden ingeschreven, blijven onderworpen aan een roerende  voorheffing van 15%

• de liquidatieboni blijven onderworpen aan een roerende voorheffing van 10%

• de residentiële vastgoedbeveks zullen voortaan tegen 15% worden belast

• de auteursrechten tot een schijf vastgesteld op 54.000 euro per jaar worden belast tegen 15%.

Renten (tijdelijke renten, lijfrenten, periodieke renten uitgekeerd in het kader van twinstar today) worden voortaan ook uitzonderlijk belast tegen 25% en dus niet langer tegen 15%. Merk op dat dit tarief tot op heden ongewijzigd was gebleven.

De verhoging van de roerende voorheffing tot 25% geldt voor natuurlijke personen en rechtspersonen.

2. de inhouding van de roerende voorheffing wordt opnieuw bevrijdend

Met andere woorden, de roerende inkomsten waarop een voorheffing van 25% van toepassing is, dienen niet meer te worden aangegeven en hun aangifte is opnieuw facultatief. Het is een terugkeer naar de situatie vóór de hervorming van de roerende inkomsten 2012.

In de praktijk: de inhouding van de roerende voorheffing gebeurt aan de bron. De belastingplichtigen die in België onderworpen zijn aan de personenbelasting, dienen de roerende inkomsten toegewezen vanaf 1 januari 2013 en afkomstig van hun roerend vermogen niet meer aan te geven in hun personenbelasting 2014 . (Het bevrijdende karakter geldt niet voor auteursrechten).

Opmerking: Voor de renten is de aangifte nog verplicht aangezien er geen roerende voorheffing werd ingehouden.

3. een rechtstreeks gevolg van de uniforme voorheffing is:

de afschaffing MET INGANG VAN 1 JANUARI 2013 van de bijkomende heffing van 4% op bepaalde roerende inkomsten (intresten en dividenden) die het plafond van 20.020 euro per jaar overschrijden.

de afschaffing van de verplichte aangifte via het centraal aanspreekpunt bij wie de Belgische financiële instellingen de roerende inkomsten (intresten en dividenden) waarop geen bijkomende heffing van 4% werd ingehouden, hadden moeten aangeven. Dit centraal aanspreekpunt, dat het daglicht nog niet had gezien, wordt dus niet opgestart.

Voor de inkomsten 2012 (aanslagjaar 2013)

De regel van 21% + 4% op de roerende inkomsten blijft behouden. Wanneer voor de roerende inkomsten de drempel van 20.020 euro overschreden wordt, blijft de bijkomende heffing van 4% verschuldigd op de intresten en dividenden waarvoor geen 4% aan de bron werd ingehouden. Wij herinneren eraan dat de belastingplichtigen die in 2012 roerende inkomsten verkregen hebben waarop de bijkomende heffing van 4% wordt toegepast, tot 31 december 2012 aan de schuldenaars van de roerende voorheffing konden vragen om deze in te houden.

Wat betreft de aangifte door de belastingplichtige natuurlijke persoon van de geïnde roerende inkomsten: de belastingplichtige die in België onderworpen is aan de personenbelasting moet in zijn belastingaangifte 2013 de in 2012 geïnde roerende inkomsten vermelden.

Deze verplichting geldt niet wanneer het geheel van de in 2012 geïnde roerende inkomsten de drempel van 20.020 € niet bereikt of wanneer de belastingplichtige gekozen heeft voor een inhouding aan de bron van de heffing van 4%. In deze gevallen moet hij via zijn belastingaangifte 2013 (aan te vinken rubrieken) bevestigen geen inkomsten te hebben genoten waarop de heffing van 4% verschuldigd zou zijn.
VERHOGING VAN DE JAARLIJKSE TAKS VAN 1,1% naar 2% VANAF 1 JANUARI 2013

De taks die van toepassing is op de premies van de levensverzekeringen onderschreven door natuurlijke personen en gestort vanaf 2013, stijgt van 1,1% naar 2% voor tak23 levensverzekeringsproducten en tak21.

Deze verhoging geldt echter niet voor schuldsaldoverzekeringen die dienen voor het waarborgen van een hypothecaire lening om een onroerend goed te verwerven of te behouden en die worden aangegaan door natuurlijke personen.

Voor de levensverzekeringscontracten vrijgesteld van de taks op de premies, blijft deze vrijstelling van toepassing: verzekeringen aangegaan in het kader van het fiscaal stelsel van pensioensparen, aanvullend pensioen voor zelfstandigen, RIZIV-contracten (luik aanvullend pensioen).

Kapitalisatieverrichtingen (tak26) blijven uit het toepassingsveld van deze taks uitgesloten. Voor de levensverzekeringsovereenkomsten, onderschreven door rechtspersonen, blijft het tarief 4,40%.

 

DE BIJZONDERE SOCIALE ZEKERHEIDSBIJDRAGE VAN 1,5% (zelfstandigen) 2de pijler

context: herinnering

De bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% op de premies gestort door de onderneming voor de opbouw van bijkomende pensioenen ten gunste van de zelfstandige werknemers, werd ingevoerd door de programmawet van 22.06.2012. Wij hebben u hiervan al een overzicht gegeven in de news van 28 juni jl.

De invoering van deze nieuwe bijdrage gebeurt in twee fases, een overgangsfase gevolgd door een definitief systeem.

De overgangsmaatregel vangt aan op 1 januari 2012 en loopt tot ten laatste 31 december 2015. Met ingang van 1 januari 2016 wordt deze maatregel dan vervangen door het definitieve systeem. De bijdrage is fiscaal aftrekbaar voor de onderneming.

De programmawet van 27.12.2012 heeft een aantal wijzigingen aangebracht in de programmawet van 22.06.2012.

Hierna geven wij u een uitvoeriger overzicht.

A. de overgangsmaatregel


1. drempel

De overgangsmaatregel bepaalt dat de onderneming, per zelfstandige bedrijfsleider, een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% betaalt op de bedragen die, in het kader van de betaling door de onderneming, aan de bijkomende pensioentoezeggingen worden toegewezen.

Deze bijdrage is met name verschuldigd op het gedeelte van de bedragen dat een drempel per jaar en per zelfstandige overschrijdt. Voor het bijdragejaar 2012 bedraagt deze drempel 30 000 euro.


2. De belangrijkste wijziging ingevoerd door de programmawet?
De bijzondere sociale zekerheidsbijdrage voor het bijdragejaar 2012 wordt niet berekend op de gestorte premies van hetzelfde kalenderjaar, maar wel op de toegewezen bedragen van 2011.


3. Een aantal toelichtingen werden toegevoegd

• enkel de aanvullende rust- en overlevingspensioenen toevertrouwd aan een pensioeninstelling worden geviseerd. Deze maatregel slaat niet op pensioentoezeggingen gefinancierd door provisies op de passiefzijde van de balans of door een bedrijfsleidersverzekering.

• er worden ook regels voorzien in geval van collectieve kapitalisatie (pensioenfondsen)

• voor de berekening van de overschrijding van de drempel wordt geen rekening gehouden met:

o WAPZ-contracten

o RIZIV-contracten

o kapitalen en afkoopwaarden van bedrijfsleidersverzekeringen overgedragen onder de voorwaarden vastgesteld door het wetboek van de inkomstenbelastingen

o de provisies overgedragen volgens de voorwaarden bepaald door het wetboek van de inkomstenbelastingen

o de taks van 4,40%.

4. praktische modaliteiten: procedure

• De bijzondere sociale zekerheidsbijdrage is verschuldigd door de onderneming en dient vóór 31 december van het bijdragejaar betaald te worden aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) op een daartoe specifiek geopende rekening van de RSVZ;

• Op het gedeelte van de bijdrage dat niet tijdig wordt betaald, is een verhoging van 1% per maand vertraging verschuldigd en dit te rekenen vanaf de 1ste kalendermaand volgend op de uiterste betaaldatum. Voor de betaling van de sociale bijdrage 2012, (die tegen 31 december 2012 betaald diende te worden), zal de verhoging van 1% per maand vertraging van toepassing zijn met ingang van 1 maart 2013.

• De pensioeninstellingen geven uiterlijk op 30 juni van elk bijdragejaar aan de vzw SIGeDIS de gegevens door voor het bepalen van de inningsgrondslag. De eerste mededeling dient te gebeuren tegen 30 juni 2013 en zal betrekking hebben op de gegevens van 2011 en 2012.

Nieuw is dus dat SIGeDIS een centrale rol toebedeeld krijgt in het verhaal van de   sociale zekerheidsbijdrage.

• Aangezien de pensioeninstellingen deze gegevens aan SIGeDIS moeten doorgeven, dienen de rechtspersonen ieder jaar de INSZ-nummers van de zelfstandigen en het ondernemingsnummer door te geven, en dit uiterlijk op 28 februari van het bijdragejaar. Dit dient voor het eerst te gebeuren op 28 februari 2013.

• Uiterlijk op 30 september en voor het eerst op 30 september 2013 deelt SIGeDIS aan de rechtspersonen de nodige gegevens mee voor de berekening en de betaling van de bijzondere bijdrage van elk bijdragejaar. SIGeDIS stelt de gegevens die ze ontvangt ter beschikking van het RSVZ.

• Het RSVZ is belast met de invordering van de bijdragen, de verhogingen en de eventuele kosten.

• Het RSVZ is belast met de controle. Hierbij kan het zich beroepen op:

o een geïnformatiseerde database met identificatiegegevens van de rechtspersonen

o de gegevens die de rechtspersonen aan het RSVZ dienen te communiceren

o de identificatiegegevens van het rijksregister

o de gegevens doorgegeven door de pensioeninstellingen en SIGeDIS.

2. definitieve maatregel

In de definitieve maatregel worden, op 1 januari van het jaar dat het bijdragejaar voorafgaat, de som van het wettelijk pensioen en de reserves betreffende het aanvullend rust- en/of overlevingspensioen gedeeld door een omzettingscoëfficiënt afgetoetst aan de pensioendoelstelling.

Als er sprake van een overschrijding is, dan is er door de rechtspersoon een bijzondere bijdrage verschuldigd

De bijzondere bijdrage wordt berekend op de verandering van de reserves betreffend het aanvullend rust- en/of overlevingspensioen tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat.

Wij zullen te gepasten tijd op de uitvoering van deze maatregel terugkomen.

 

EENVORMIG TARIEF VAN 30% VOOR DE BELASTINGVERMINDERING VOOR LANGETERMIJNSPAREN

1. context

Vanaf het aanslagjaar 2013 (inkomsten 2012) zullen de in de loop van het jaar 2012 gedane aftrekbare uitgaven omgezet worden in belastingverminderingen (bijv. giften), met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen en de aftrek voor enige en eigen woning.

Andere uitgaven blijven onderworpen aan het regime van de belastingvermindering maar de berekening van deze belastingvermindering zal eenvoudiger worden. Dit is het geval voor het langetermijnsparen. (Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen).

De belastingvermindering is een soort fiscaal voordeel waarbij sommige uitgaven recht geven op een belastingvermindering tot een vooropgesteld plafond op voorwaarde dat aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

 2. welk fiscaal voordeel is er aan het langetermijnsparen verbonden?

2.1 Hoe wordt het fiscaal voordeel momenteel berekend?

Dit voordeel werd tot nu toe berekend op basis van een bijzondere gemiddelde aanslagvoet die varieert tussen 30% en 40% (volgens de inkomsten van de belastingplichtige) en werd toegepast op het bedrag van de in de loop van het jaar gedane uitgaven (het bedrag van deze uitgaven is ook begrensd).

2.2 Vanaf de inkomsten 2012 (aanslagjaar 2013)

De belastingvermindering zal berekend worden op basis van een eenvormig tarief van 30% voor alle belastingplichtigen, zonder rekening te houden met het niveau van hun inkomsten.

De belastingvermindering voor langetermijnsparen (artikel 145 1 WIB 92) is onder meer van toepassing op:

• de premies van de individuele levensverzekeringen (inbegrepen de schuldsaldoverzekeringen afgesloten vóór 2005 of erna, indien de belanghebbende niet kan genieten van de aftrek voor enige en eigen woning)

• de uitgaven gedaan voor het pensioensparen (verzekering of bank).

Dit betekent concreet dat de belastingvermindering die van toepassing is op de uitgaven voor pensioensparen of voor de premies van de individuele levensverzekeringen beperkt zal zijn tot 30% van de betaalde premies.

Het premiebedrag dat kan worden gestort, blijft zoals voorheen begrensd (inkomsten 2012):

• voor pensioensparen: 910 euro;

• voor individuele levensverzekeringen: 2.200 euro (ermee rekening houdend dat de berekening van de maximumpremie, voor plafonnering, bepaald wordt op basis van de inkomsten van de belastingplichtige: 15% op de 1ste schijf van 1.830 euro van de beroepsinkomsten en 6% op wat daarbovenop komt met een maximum van 2.200 euro).

De maximale belastingvermindering (inkomsten 2012) bedraagt dus:

• voor pensioensparen: 273,00 euro (910 euro X 30%)

• voor individuele levensverzekering: 660,00 euro (2.200 euro X 30%)

Deze wijziging vangt aan voor het aanslagjaar 2013 (inkomsten 2012), d.w.z. van toepassing op de in de loop van 2012 gedane uitgaven.